In het atelier van Carole Vanderlinden : schilderkunst als territorium


Het is in haar atelier dat ik de eerste keer in contact kom met de schilderkunst van Carole Vanderlinden. Schilderwerken alom, sommige hangen aan de muur, andere staan op de grond, vaak met hun rug naar bezoekers gekeerd. Ze draait ze één voor één voor mij om. Ik zie een schilderij met een donkergrijze 'cloudy' achtergrond met drie gesloten ovale vormen, uitgestippeld in een lichtgrijze en rode kleur. Een ander weerspiegelt kale takken op een achtergrond van grijs en oranje. Ze verplaatst enkele schilderijen en kiest er een groot, bijna wit exemplaar uit met in het midden een driekwart gezicht in zwart en grijs. Daartegenover hangt tegen de muur een schilderij in vaal grijs bezaaid met grotte cremekleurige of roze bollen waarvan twee uitmonden in het gewei van een hert. Daarnaast heeft de kunstenares op een klein schilderijtje een zwart kader - met af en toe een lichte doorschemering van elektrisch blauw - geschilderd waarin weelderige krullen als een handschrift de aandacht trekken. Ik ben niet alleen verbaasd door de diversiteit, maar vooral door de coherentie van haar werk. De schilderkunst van Vanderlinden refereert aan geen enkele stijl, geen enkel serieel idee; wat vooral opvalt is de mix van abstractie en vormen, het plakwerk, laag op laag, de bewuste en precieze vormen en het toevallige spel van de materie op het oppervlak. Bij het bekijken van de indrukwekkende hoeveelheid tekeningen komt een bezoeker terecht in een reservoir van vormen. In het verlengde van de ramen van het atelier pronken drie postkaartjes die ver van elkaar maar op dezelfde hoogte werden opgehangen. Het zijn van die plekken in een atelier waar postkaarten, foto's of krantenberichten ophangen dat kunstenaars veel inspiratie kunnen halen. Bij Carole Vanderlinden zie ik onder meer drie reproducties : de Grand verre van Duchamp, de Madonna del Parto van Piero della Francesca en een wandtapijt van La dame à la licorne.
Er valt veel te vertellen over elk van deze drie reproducties en vooral over de manier waarop ze zijn samengebracht. Ze verwijzen naar de drie grote momenten binnen de geschiedenis van de kunst - het einde van de Middeleeuwen, de Renaissance en de moderne tijd. Ze refereren ook aan drie aspecten van de schilderkunt - het wandtapijt als zijaspect, de fresco van Piero als typevoorbeeld en het glas van Duchamp als buitenbeentje. Voor, na, tijdens, naast, in, het is duidelijk dat de keuze niet zomaar is gemaakt. En hun aanwezigheid hier staat in verhouding met de schilderkunst van Carole Vanderlinden: ze getuigen van haar toetreding tot de schilderkunst, tot het 'métier van de schilder'.
Carole is vervuld van de schilderkunst en haar werk situeert zich binnen een perspectief dat niets weg heeft van modernisme maar zich ver daarboven plaatst. Voor haar gaat het niet om een laatste episode of een laatste schakel in de tijdslijn. Ze plaatst zich niet binnen een historisch perspectief, Ze bevindt zich niet aan het eindpunt van de kunstgeschiedenis maar er middenin. Alles gebeurt alsof de geschiedenis van de schilderkunst een territorium is van waaruit ze kan ronddwalen, rondwandelen - niet rondreizen, die term doet te veel denken aan voorbereiden, inpakken, organiseren en dat is hier allerminst het geval. Soms stopt ze eens hier, dan weer daar: de miniatuurschilders, de moziekvloeren van de kathedraal van Siena, het zijn herinneringen uit een onbepaald verleden. Niet dat haar rondtrekken volgens een bepaald traject verloopt, eerder door een inval van het moment of door een plaats. Dat is ook de reden waarom we in het picturale werk van haar achtergrond steeds meer goud zien. En het is ook daarom dat de gezichten opduiken als ware het verschijningen. Haar schilderkunst speelt met het effect van een onverwachte vonk, een sprankeling. Eenvoudig, zonder franjes.
Het is zoals Gilles Deleuze en Félix Guattari het schreven, 'à la différence des arbres ou de leurs racines, le rhizome connecte un point quelconque avec un autre point quelconque, et chacun de ses traits ne renvoie pas nécessairement à des traits de meme nature, il met en jeu des régimes de signes très différents et meme des états de non-signes (...) Il n'est pas fait d'unités, mais de dimensions, ou plutôt de directions mouvantes. Il n'a pas de commencement ni de fin, mais toujours un milieu, par lequel il pousse et déborde'1. Het is deze rhizomatische functionering die de rode draad vormt door de schilderwerken van Carole Vanderlinden. Haar schilderkunst is gemaakt met tussenverbindingen zonder hiërarchie, maar uitermate hedendaags. De picturale ruimte krijgt vorm door de achtergrond, een samenspel van laag op laag (soms zie je nog wat er onder zit), van toeval en vreugde om met de verf te werken. Vanuit deze achtergrond banen de figuren zich een weg. Sommige komen terug en zijn herkenbaar, zoals guirlandes, lampions of details van planten. Andere bestaan uit lijnen, krullen, geschriften. Maar ze zijn allemaal het resultaat van een inzoomen op een bepaald element. Een weerkerend detail wordt een lijn, een kleur, een vorm. Alsof de schilderkunst het zo wil.

1 Gilles Deleuze & Félix Guattari, Mille Plateaux, Paris, Minuit, 1980, p. 31.



Colette Dubois, 2008.
Vertaald uit het Frans door Sylvie D'Hoore.



Print/Download deze tekst